Verdwijnende woorden

Verschenen in de vpro-gids 2013

Maankalf, fezikker, boelin: Ooit waren het Nederlandse woorden, nu kent niemand ze meer, net als gamine, lubriek, en alkoofliefde. Talen veranderen nu eenmaal, zeker ook het Nederlands. En terwijl de meeste aandacht gaat naar nieuwe woorden -breezersletje, rommelhypotheek, eurocrisis- betekent dat toch ook dat er woorden verdwijnen. Zoals liefdesgesticht, knuren, anerie.

‘Systematisch onderzoek naar verdwijnende woorden is lastig’, zegt taalkundige Nicoline van der Sijs van het Amsterdamse Meertens Instituut, expert op het gebied van de geschiedenis van het Nederlands. Van een uitstervende diersoort kun je het laatste exemplaar zien sterven, met een beetje geluk in een dierentuin.

Maar achterhaal maar eens de laatste keer dat ‘minijver‘, in de gesproken taal gebruikt is -en dan in de echte betekenis (romantische jaloezie), niet als voorbeeld in een artikel over uitstervende woorden. Woordenboeken zijn onmisbaar, zegt Van der Sijs, ‘maar een woord dat in een woordenboek staat, kan in praktijk al lang niet meer gebruikt worden.’

Veel woorden sterven natuurlijk doodeenvoudig uit omdat de bijbehorende technologie, beroep, ziekte of gewoonte verdwijnt. Gietklomp, draadbericht, gildos: ze bestaan niet meer, dus we hebben het er niet meer over.

Alle voorbeelden hierboven zijn afkomstig uit het Verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, die oude woordenboeken afspeurt naar verdwenen woorden. Het uitsterven gaat door, verzekert hij aan de telefoon: ‘Op een dag zal het ook zo gaan met haak en de hoorn van de telefoon’, voorspelt hij, ‘kinderen weten nu al niet meer waarover je het hebt.’

Maar gek genoeg kan ook het opkomen van een nieuwe technologie reden zijn voor woordenslachtingen. Zo leidde de opkomst van gemotoriseerd verkeer tot een reeks kortlevende woorden: in het ‘automobiel’, ook ‘tuftuf‘ genoemd, kon je ‘autoën‘, ‘motorren‘, en ‘automobielen‘. Maar toen de auto gewoon werd, stierven de meeste alternatieven uit, en nu rijden we bijna alleen nog maar auto.

Hoe dan ook zijn woorden verbonden aan modeveschijnselelen uitsterfgevoelig, merkte Den Boon, die overzichten maakte van nieuwe woorden die in kranten en tijdschriften opdoken, en dan ook meer dan een keer. Ondanks die drempel haalden nieuwkomers uit 2001 als ‘varkenswolkenkrabber‘ en ‘dotflop‘ het algemeen vocabulaire nooit.

Ook modieuze jeugdtaalwoorden van het kaliber ‘gaaf’, ‘wreed’, ‘chill’ en ‘vet’ is vaak een kort leven beschoren, al is er heel soms een tweede jeugd voor ze weggelegd. Den Boon: ‘Mieters‘ hoor je nu ook wel, maar dan in ironische vorm.’ ‘Gers‘ is nog oubolliger, dus nog hipper.

Cash-and-carry, football, amante. Tegen alle onheilsvoorspellingen over verengelsing, verduitsing of verfransing in, is een veelvoorkomende doodsoorzaak de vervanging van een leenwoord door een Nederlands woord. Toen de supermarkt in Nederland een nieuwigheid was, ging je naar de cash-and-carry. In het voetbal, ooit ‘football’, werd een penalty een strafschop en een corner een hoekschop.

Liefdesgesticht, kreupele, bloedschender. Taboes, op seks, ziekte, dood en viezigheid, leiden tot nieuwe woorden, maar ook het sterven van de oude. Terwijl ‘naaien’ voor handwerk nog net kan, hebben ‘klaarkomen’ en ‘wippen’ het in hun niet-seksuele betekenis zwaar. Den Boon: ‘Ooit was ‘mongooltje’ een neutraal woord, nu kan dat niet meer, en heb je het over ‘iemand met Down-syndroom’ Ook ‘Idioot’ en ‘debiel’, begonnen als medische termen, verhuisden naar het scheldwoordenrepertoire. Weliswaar een enorm, weinig kieskeurig toevluchtsoord, maar een woord is daar zijn leven nooit zeker vanwege de voortdurende innovatie. Wie scheldt er nog met ‘chocoladesnol‘, ‘vuilpoes‘ of ‘lorejas‘?

Op de lange duur kunnen alle woorden wegvallen, zelfs basiswoorden als ‘water’, ‘maan’, of persoonlijke voornaamwoorden. ‘In het Nederlands is ‘du’ vervangen door ‘gij’ en ‘jij”, zegt Van der Sijs, ‘en ik ben nog altijd verbaasd dat wij het Engelse leenwwoord ‘baby’ gebruiken voor zo’n gewoon begrip.’

Op basis hiervan heeft de Amerikaanse taalkundige Morris Swadesh (1909-1967) geprobeerd te berekenen wanneer twee verwante talen, zols bijvoorbeeld Duits en Nederlands, opgesplitst zijn. Hij stelde een lijst op van 200 (later 100) basisbetekenissen, en berekende dat daarvan circa 8 procent per millenium sneuvelt, los van van klankveranderingen waardoor wij ‘zon’ zeggen en Duitsers ‘Sonne’.

Zo kun je gewoon terugrekenen hoe lang geleden een gemeenschappelijke oertaal nog bestond, was zijn idee. Maar de resultaten van Swadesh’ ‘glottochronologie’ waren nogal wisselend, en de methode is controversieel onder taalkundigen.

Van der Sijs: ‘Het is ook onwaarschijnlijk dat talen in een constant tempo veranderen’. Culturele omwentelingen en instroom van vreemdelingen die de taal leren kunnen een taal flink omploegen. Zo is het Oud-Engels ook voor Engelstaligen nagenoeg onleesbaar, terwijl het IJslands als twee druppels water lijkt op Oud-Noors.

Van der Sijs: ‘De Nederlandse woordenschat veranderde minder in de 17e en 18e eeuw, een tijd dat er hier niet zoveel gebeurde, terwijl er in de Napoleontische tijd daarna allerlei nieuwe woorden verschenen zoals militie, politie, kilogram en douane.’

Echt goed zicht hoopt ze daar de komende jaren op te krijgen, met een grote subsidie van onderzoeksfinancier NWO om alle digitale Nederlandstalige teksten vanaf de twaalfde eeuw gezamenlijk doorzoekbaar te maken in het project nederlab.nl. ‘Daarmee kun je woorden door de eeuwen heen volgen in hun opkomst en ook hun ondergang.’

Zoals het een wetenschapper betaamt, kan Van der Sijs geen favoriet verdwenen woord noemen. Maar Den Boon treurt om woorden als ‘kamertjeszonde‘ en ‘aanritseling‘ ‘Dat is wat we nu een aanvechting of neiging zouden noemen, maar dan vooral in de godsdienstige context: de aanritseling tot het kwaad. En verder alle woorden met ‘alkoof’.’

Bruno van Wayenburg

Ton den Boon, ‘Verdwijnwoordenboek 2013’, editie 2013, uitgeverij Weideblik, 2013, en editie 2006, Heinen

alkoof: klein kamertje zonder ramen
alkoofliefde: heimelijke liefde
amante: minnares
anerie: stommiteit
bloedschender: incestpleger
boelin: vrouw die overspel pleegt
chocoladesnol: prostituee die het voor haar plezier doet
dotflop: mislukt internetbedrijf
draadbericht: telegram
fezikker: fluisteraar
gamine: jongensachtig meisje
gietklomp: een een houten werktuig waarop blekers wasgoed nat maakten
gildos: een vette os die met linten versierd door de stad gevoerd wordt voordat hij wordt geslacht
kamertjeszonde: ondeugden van gewone mensen
knuren: luieren
liefdesgesticht: inrichting voor zieken, gebrekkigen en ouden van dagen
lorejas: nietsnut
lubriek: geil
maankalf: misgeboorte
varkenswolkenkrabber: flatgebouw om varkens in te houden
vuilpoes: vies persoon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Related Posts